Waarom 1-op-1 taaltraining/privéles?

Tijdens het geven van groepscursussen ontdekte ik dat cursisten in een groep: 

  • zich vaak niet gezien of gehoord voelen;
  • anderen die verbaal sterker zijn en al verder zijn in de te leren taal vaak aan het woord zijn en ze durven dan niets te zeggen, omdat ze zich schamen of overruled voelen;
  • geen vragen durven te stellen;
  • het gevoel hebben dat ze het toch nooit zullen leren;
  • zich niet vrij voelen en zich ook niet veilig voelen met anderen erbij;
  • te weinig tijd hebben om spreekvaardigheid te oefenen of juist behoefte hebben aan luistervaardigheid, leesvaardigheid of schrijfvaardigheid;
  • het tempo te hoog of te laag vinden liggen;
  • de docent/taaltrainer niet zelf kunnen kiezen;
  • les hebben op een moment dat niet goed uit komt;
  • extra uitleg willen en meer aandacht van de docent nodig hebben. 

Bovengenoemde redenen hebben mij ervan overtuigd dat individuele taaltrainingen voor veel mensen de beste optie is om een begin te maken met het leren van een nieuwe taal. 

Het geven van individuele taaltrainingen is mijn passie en mijn specialiteit. Ik vind het prettig om 100% aandacht aan één cursist te geven en de lessen af te stemmen op het tempo van de cursist. Het geeft mij veel voldoening om de cursist te zien groeien en steeds meer zelfvertrouwen krijgt in de te leren taal! 

Bovendien houd ik van talen en ben ik geïnteresseerd in mensen en andere culturen. Ik geef de cursisten alle ruimte om op hun eigen manier met de moeilijke klanken van een nieuwe taal te oefenen. Daarnaast zoek ik extra oefenmateriaal of maak ik zelf oefeningen als de cursist graag nog met een onderdeel wil oefenen. Ik probeer altijd aansluiting te vinden bij de kennis die iemand al heeft van zijn eigen taal of van andere talen. Dit helpt vaak om over een hobbel in het leerproces heen te stappen.

Als je een taal goed wilt leren met alle ruimte om jouw doelen te behalen en in een veilige en stimulerende omgeving wilt oefenen, dan is een individuele taaltraining op maat bij Petra’s Taaltrainingen geknipt voor jou!

 Privéles

Taaltips Zinsontleden Nederlands

Taaltips Zinsontleden Nederlands

Hierbij een uitleg over het verschil tussen het naamwoordelijk en het werkwoordelijk gezegde.

 

Het werkwoordelijk gezegde draait om de activiteit die iemand doet en bestaat alleen uit werkwoorden.

Voorbeeldzin: Hij heeft gefietst. Het werkwoordelijk gezegde = heeft gefietst.

 

Het naamwoordelijk gezegde gaat over de eigenschap/eigenschappen die een persoon heeft en zegt wat de persoon is.

Voorbeeldzin: Het meisje is lief. Het naamwoordelijk gezegde = is lief.

 

Het naamwoordelijk gezegde gaat ook over het beroep dat iemand heeft of het beroep dat iemand wil worden.
Voorbeeldzin: Hij is bakker. Het naamwoordelijk gezegde = is bakker.

Hoe ik taal zie

Ik zie een taal als een systeem dat uit bouwstenen bestaat. Om een taal te leren zul je de bouwstenen van de Nederlandse taal moeten kennen om te weten met welke je te maken hebt. De bouwstenen zijn de onderdelen van het zinsontleden, de zinsdelen, zodat je weet uit welke zinsdelen de zin is opgebouwd en in welke volgorde ze staan.

Het onderdeel woordbenoemen noem ik de onderdelen binnen een zinsdeel. De onderdelen van het woordbenoemen zijn de woordsoorten die in een zinsdeel staan.

Beheersing van de grammaticale terminologie (zinsontleden en woordbenoemen) in je eigen taal is de stap om de structuur van je eigen taal te leren. Met deze kennis is het leren van de structuur van de te leren taal veel gemakkelijker. Als je deze kennis beheerst heb je een koffer met gereedschap en kun je makkelijk je eigen taalproblemen oplossen, doordat je weet met welk zinsdeel of woordsoort je te maken hebt.

Om volledig zelfstandig informatie over zinsdelen of woordsoorten van de nieuw te leren taal te kunnen opzoeken, heb je ook de begrippen van de grammaticale terminologie in de te leren taal nodig. Eenmaal geleerd, kun je deze basiskennis als uitgangspunt gebruiken bij het leren van elke nieuwe taal!

Waarom zou je dit moeten leren?

Bij het leren van een vreemde taal zul je altijd het onderdeel grammatica nodig hebben. Grammatica komt in alle vier de onderdelen van een vreemde taal leren voor: spreekvaardigheid, leesvaardigheid, luistervaardigheid en schrijfvaardigheid. Je hebt de grammatica nodig om de structuur van de te leren taal te begrijpen en om die in de te leren taal toe te passen. Als je eenmaal de structuur van je eigen taal begrijpt met de bijbehorende terminologie is een nieuwe taal leren gemakkelijker, omdat je een basis hebt waarmee je de nieuwe taal beter kunt leren en de verschillen en overeenkomsten leert zien en begrijpen.

Taaltips Duits

Sinds kort ga ik naar Language Exchange in Nijmegen. Wat is Language Exchange? Language Exchange is erop gericht een taal te oefenen met native speakers. Dit wordt wekelijks georganiseerd en onder het genot van een drankje oefen je een uur in de taal die jij wilt leren spreken met een native speaker. In het volgende uur help jij iemand die in jouw native taal wil oefenen. Dit kan uiteraard ook andersom zijn. Zie ook Facebook https://www.facebook.com/groups/language.exchange.nijmegen.

Ik studeer sinds 3,5 jaar Spaans en ik heb afgelopen keer het 2e uur in het Spaans gesproken met anderen die ook Spaans willen leren spreken. Het andere uur heb ik een groepje geholpen die Duits willen leren spreken. Tijdens het oefenen in het Duits kwamen er een paar interessante vragen over de Duitse grammatica aan de orde. Voor mij als native speaker Duits en Nederlands is het duidelijk wat de verschillen zijn tussen deze talen. Ik ga hier dus een paar interessante taaltips met jullie delen.

Hoe zeg je nu in het Duits “op reis gaan”? Op reis gaan heet “verreisen”. Als je op reis bent zeggen we : “wir sind verreist”. Als je op en neer reist naar je werk noemen we dat: “pendeln”. Als je met de trein reist zeggen we: “Wir reisen/fahren mit dem Zug”.

Hoe zeg je in het Duits: “ik doe aan sport”? Ich treibe/betreibe Sport”. Maar als we het over een bepaalde sport hebben zeggen we: “einen Sport ausüben/betreiben”.

Als wij naar een plaats of land gaan gebruiken wij in het Nederlands altijd het voorzetsel “naar”. Bijvoorbeeld naar Frankrijk gaan, naar Amsterdam gaan of naar Amerika gaan. Als wij in een land of stad zijn gebruiken wij het voorzetsel “in”. Bijvoorbeeld in Frankrijk zijn of in Amsterdam zijn. In het Duits gebruiken wij hier andere voorzetsels voor en moeten wij in bepaalde gevallen ook nog een naamval toevoegen. Hieronder zal ik uitleggen wat het verschil is tussen het Nederlands en het Duits.

In het Duits hebben sommige landen een lidwoord. Dit lidwoord kan mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud zijn. Voor landen die geen lidwoord hebben is het heel makkelijk. Als je wilt zeggen: “ik ga naar Frankrijk” gebruiken we het Duitse voorzetsel “nach”. Dus “ich gehe nach Frankreich”. Dit geldt ook voor het zijn in een land. Bijvoorbeeld: “ich bin in Frankreich”. Dan gebruiken we het Duitse voorzetsel: “in“.

Maar als het land wel een lidwoord heeft, gebruiken we andere voorzetsels en moeten we ook nog naamvallen toevoegen. Als je “naar” een land met een lidwoord reist gebruiken we in het Duits het voorzetsel “in” en gebruiken we de 4e naamval. Hieronder zal ik een paar voorbeelden noemen met een vrouwelijk land, een onzijdig land en een land in het meervoud met de bijbehorende vertaling.

Vrouwelijk: “Ik ga naar Zwitserland”. “Ich fahre in die Schweiz”.

Onzijdig: “Ik ga naar het Verenigd Koninkrijk”. “Ich fahre (in das) ins Vereinigte Königreich”.

Meervoud: “Ik ga naar Nederland”. “Ich fahre in die Niederlande”.

Als we in een land met een lidwoord zijn gebruiken we ook het voorzetsel “in”, maar dan met de 3e naamval. Hieronder schrijf ik weer een paar voorbeelden met een vrouwelijk land, een onzijdig land en een land in het meervoud.

Vrouwelijk: “Ik ben in Zwitserland”. Ich bin in der Schweiz”.

Onzijdig: “Ik ben in het Verenigd Koninkrijk“. “Ich bin (in dem) im Vereinigten Königreich“.

Meervoud: “Ik ben in Nederland“. “Ich bin in den Niederlanden”. Bij het zijn in het land in het meervoud krijgt ook het zelfstandig naamwoord nog een “n” toegevoegd als dit mogelijk is.

Ik hoop dat jullie weer een beetje wijzer geworden zijn en deze taaltips Duits kunnen gebruiken. Zo zie je maar wat een verschil er zit tussen de Nederlandse en Duitse taal.